dinsdag 29 maart 2011

Folk Metal Special!!!!

Deze keer een speciale editie van de MetalBlog. Ik ben al jaren gek op folk/viking metal. Ik durf te wedden da het mijn lievelingsgenre is. Deze eerste maanden is er zo veel goeds uitgekomen in dit genre dat ik me bedacht dat ik best een hele blog aan folk metal kon wijden. Dus dat doe ik ook. Ik heb ook een essay over folk metal geschreven. Ik heb hem er niet bij gezet omdat het dan wel een enorme lap tekst zou worden. Hou in de gaten want hij komt eraan. Ook de Jukebox is in folk metal stijl en brengt je naast de klassiekers ook jonge groepen die over een paar jaar zeker aan de top staan. Jong bloed als Darkest Era, Amorgen en Dalriada. Geen nieuws dan ook, alles in de stijl van ons geliefde heidense metal. Hail to Odin!

REVIEWS

Turisas – Stand Up And Fight 

Heeft deze band überhaupt nog introductie nodig? Je zou je moeten schamen als je Turisas nog niet kent. In 2004 brachten de Finnen en revolutie teweeg met het geweldige Battle Metal, dat waarschijnlijk het best ontvangen debuut van de 2000’s is. Drie jaar later werdt dat kleine meestewerkje nog eens overtroffen met The Varangian Way. Op dat album liet de band een volwassener geluid horen, met een verhalend aspect en minder ruwe zang van de charismatische frontman Mathias ‘Warlord’ Nygard.
Inmiddels is Turisas weer toe aan het derde album. En weer is het geluid een stap verder geëvolueerd. De weelderige symfonische arrangementen zijn verdrievuldigd vergeleken met het verleden. Dit gaat gelukkig niet ten koste van het metalaspect. De groep werkte samen met een klein orkestje dus alles is authentiek opgenomen. De nummers zijn lekker headbangbaar en nog veel belangrijker: ze klikken vrijwel meteen in je hoofd. In tegenstelling tot de voorganger is Stand Up And Fight geen conceptplaat. In plaats daarvan vertelt het album over verschillende avonturen van de hoofdpersonen van The Varangian Way als huurlingen in het leger van het Byzantijnse rijk.

The March Of The Varangian Guard is lekker herkenbaar Turisas. Zo’n pakkend nummer in de stijl van ‘To Holmgard And Beyond’ en ‘As Torches Rise’ (Wat ik nog steeds een beter nummer dan Battle Metal vind). Take The Day ademt een jaren ’80 stadiumrock sfeer uit met schelle overwinningstrompetten en een stampend ritme. Gelukkig ontbreken de stoere mannenkoren niet en kan het publiek lekker meebrullen.
Hunting Pirates is folky, met een lekker accordeonmelodietje. Het roept beelden op van stoere zeemannen die uitvaren met hun schip. Het is ook het enige album waarop accordeoniste Netta Skog een duidelijk hoorbare rol heeft.
Venetoi! Prasinoi! kan je vergelijken met In The Court of Jarisleif maar is vele malen opzwepender en dramatischer. Dit nummer is een prachtig voorbeeld van hoe Turisas epische orkestratie met stevige metal kan mengen.

De titeltrack is langzamer en doet melancholisch aan in de coupletten. Het refrein is echter weer vol kracht. De stem van Warlord is vol ballen als hij zijn ruwe stem gebruikt en fragiel wanner zijn echt zingt. Vooral de uithaal aan het einde is subliem. De mannenkoren brullen luidkeels en ik weet zeker dat dit nummer iedereen die het niet meer zit zitten weer vol vuur kan krijgen. De brug van het nummer doet erg filmisch aan, en ik moest zelfs even aan Pirates Of The Caribbean denken.
Dan komt een favoriet van me: The Great Escape. Stampende ritmes en een stevige riff. De tekst is verhalend en het lied heeft sterke zanglijnen. Het nummer vorderd door een aantal transities die elk nog beter zijn dan de vorige. Na een kort stukje dat mij muzikaal gezien even aan de Efteling deed denken barst de song los in zo’n manier dat alleen Turisas dat kan. Het orkest en de koren zwellen aan en er wordt opgebouwd naar een outro. Een orkestraal outro dat heel erg mooi is.
Fear The Fear is een lastig nummer. De teksten zijn anders en kan je minder makkelijk in historisch perspectief plaatsen. Het is een roep naar de mensheid dat we onszelf de vernieling in helpen. Het kost een tijdje om de lastige structuur door te hebben maar ik weet zeker dat het niet lang is voor het nummer in je hoofd zit.

De Miklagard Overture van Stand Up And Fight heet End Of An Empire. Het begint heel typisch maar dan zakt de dynamiek en komt er een stuk dat dat wat mij betreft zo in een Disney-film of musical kan. En dan knalt de metal er weer in. Een eervolle vermelding voor het refrein. Dat magistrale refrein. Dat refrein vol epiek, orkestrale overweldigendheid en brute metal! En ook het outro is geweldig. Een klassiek koor doet zijn intrede en samen met het orkest maakt dit een fantastisch, epische en prachtige finale die gewoonweg heerlijk is.

Uiteindelijk nemen we nog even een stapje terug met The Bosphorus Freezes Over. Het is een melancholisch stuk, voornamelijk in het Fins gezongen maar met een gesproken intro.  Kippenvel tijdens het laatste refrein!
De bonustracks Broadsword en Supernaut zijn covers van respectievelijk Jethro Tull en Black Sabbath. Ik ga er niet te ver over uitwijden maar Broadsword is een lekkere song die Turisas op het lijf is geschreven. En van Supernaut hebben ze een lekker folkmetal nummertje gemaakt.

Stand Up And Fight valt bij mij in de categorie ‘instant klassieker’. Wat een heerlijke plaat, werkelijk alles klopt, van de productie tot de schitterende symfonische arrangementen. Ik hou van dit schijfje. Ik hou van Turisas. De band laat zien dat ze één van de vooruitstrevendste metalbands ter wereld zijn. Deze komt zeker hoog in mijn jaarlijst en dat zou hij bij jou ook moeten doen!

96/100



Moonsorrow – Varjoina Kuljemme Kuolleiden Maassa

En daar is nummer 4 van de ‘Finnish Five of Folk Metal’ die binnen een jaar een album aflevert. Vorig jaar kregen we Finntroll, en nu, in een ongelofelijk tempo achter elkaar Korpiklaani, Turisas én Moonsorrow. Alleen Ensiferum nog en het feest is compleet!
Maar nu dus Moonsorrow. Varjoina Kuljemme Kuolleiden Maassa gaat verder waar V: Hävitetty ophield. Het is een conceptplaat over het leven na de vernietiging van de aarde. Een kleine groep mensen trekt door de verwoeste wereld op zoek naar overlevenden, eten en onderdak. Natuurlijk vinden ze dat niet en sterven ze uiteindelijk allemaal.

Een Moonsorrow album is altijd een sfeervol gebeuren. De nummers op V: Hävitetty en Tulimyrsky waren extreem lange nummers met een uitgebreide opbouw en veel natuur-  en sfeergeluiden. De nummers op VKKM zijn, zoals zanger/bassist Ville Sorvali in een interview vertelde, meer ‘radiovriendelijk.’ Neem dit met een korreltje zout van de zeven nummers op het album zijn er drie korte interludes en de lengte van de overige vier ligt tussen de elf en zestien minuten. Moonsorrow bedient zich van vele stijlen. Opener Tähdetön begint doomy. Erg doom zelfs. Slepende ritmes en logge riffs, en daaroverheen de hysterische krijsstem van Ville Sorvali. Pas na zes minuten kruipen de vrolijkere deuntjes iets naar voren. Het hele album lang worden trage stukken met snelle stukken gemixed. Maar over het algemeen is VKKM een erg doomy en traag album geworden.

Muinaiset is de de meest toegankelijke track, en ook het breed uitgesponnen Huuto scoort hoog. Huuto is mijn persoonlijke favoriet, het intro is erg gaaf en benadert de Moonsorrow-sfeer van Kivenkantaja, en Voimasta Ja Kunniasta het meest. Kuolleiden Maa is dan weer de meest sfeervolle, depressieve en meesleependste track geworden. De drie interludes schetsen een soundscape van een groep mensen die door de sneeuw wandelen. De voetstappen neem steeds meer af en op het laatst is er maar één over. Als hij zich realiseert dat hij alleen is zakt hij door zijn knieën en laat een laatste schreeuw van wanhoop horen. Dit alles kan je horen in Kuolleille, zonder twijfel de beste interlude.

Varjoina Kuljemme Kuolleiden Maassa laat een andere kant van Moonsorrow horen. Aan de ene kant gaat het door waar V: Hävitetty ophield, aan de andere kant laat het een tragere en meer black metal-achtige kant van het Finse vijftal horen. Het is zeker geen toegankelijke plaat maar hij klinkt wel overduidelijk als Moonsorrow. Ik vind het in ieder geval een geniale plaat die zijn ware aard pas laat zien na vele luisterbeurten en mét de teksten erbij. Zeker een aanrader en hij gaat waarschijnlijk hoog op mijn lijstje eindigen.

93/100


In Extremo – Sterneneisen 

Ik hou van doedelzakken. Sommigen beschrijven het als de link tussen geluid en lawaai maar ik houd ervan. Ik ben dan ook gek op de middeleeuwse doedelzak metal. Dit specifieke subgenre van metal is vooral populair in Duitsland, waar bands als Subway To Sally, Corvus Corax, Saltatio Mortis en Ingrimm razend populair zijn. In Extremo is veruit de populairste band in deze scene. Ze ijn een eind gekomen, van het spelen van traditionele middeleeuwse liederen tot het componeren van hun eigen composities: gitaarzware opzwepende nummers doorspekt met doedelzakken, draailier, schalmeijen, harp en allerhande percussie.

Van lui zijn kan je het Berlijnse zevental niet beschuldigen. Sinds de oprichting in 1995 hebben ze acht albums gemaakt, vijf live-albums, een best-of en een teringlading aan singles.
Ik moet eerlijk bekennen dat sinds de band zich vrijwel exclusief ging toeleggen op eigen composities (een trend die begon op Mein Rasend Herz en verder ging met Sängerkrieg) mijn enthousiasme een beetje getempert werd. De songs werden generieker en de afwisseling van meesterwerkjes als Verehrt Und Angespien en Sünder Ohne Sügel was een beetje weg.  Ik ging dit negende album dan ook tegemoet met een beetje scepticisme.

Op het eerste gehoor is er niks mis mee. ‘Zigeunerskat is een echte InEx single, pakkend, straight to the point en prettig in het gehoor liggend. Je merkt ook nauwelijks dat de band een andere drummer heeft. De nummers Gold, Viva La Vida, Siehst Du Das Licht, Schau Im Mond, Unsichtbar (met sterk refrein en gastoptreden van Mille Petrozza) en de titeltrack zijn van dat soort nummers. Geen verassingen daar dus. Schau Zum Mond en Viva La Vida vind ik minder, bij de laatste komt dat deels door het (opzettelijk) vals gezongen intro.

Er zijn echter wat kleine experimentjes en veranderingen in de sound. Het grootste verschil is hoorbaar in de nummers Stalker, Auge Um Auge en Unsichtbar. Nieuwbakken drummer Specki TD gebruikt dubbele bassdrums! En die gebruikt ie dus ook echt. Dat zorgt voor een nieuwe insteek in de sound van InEx. En het maakt dat de brug van Auge Um Auge gewoon bijna black metal-achtig klinkt! Fijne toevoeging, want anders zou het een ondermaats nummer zijn. Ik heb hun vorige drummer altijd al saai gevonden, hij hield alleen het ritme en deed nooit wat spannends naar mijn idee.
Hol Die Sternen is een akoestische ballad en een lekkere ook nog. Traag is ie niet, opgewekt zelfs. Jammer dan Zauberspruch No. VII niet zo memorabel is als zijn voorganger op het vorige album.

Sterneneisen is toch nog wel gevarieerd geworden. Ik snap nu dat de variatie in het ‘nieuwe’ In Extremo niet uit de talen komt, maar uit de combinatie van middeleeuwse instrumenten. Van doedelzakken tot harp, percussie tot schalmei en zelfs uillean pipes zijn te horen. Een terugkeer naar de hoogtijdagen is het niet, wel een perfecte voortzetting van Sängerkrieg. Sterneneisen sluit prima aan op de omvangrijke discografie van de Duitse band. Alle elementen zijn aanwezig in hun vertrouwde vorm, en het is een goed album geworden.

85/100

Amon Amarth – Surtur Rising 

Misschien niet een voor de hand liggende keuze in een Folk Metal Special, maar ik vind dat Amon Amarth best tussen deze bands past. 
De Zweedse vikingen van Amon Amarth behoeven ook geen introductie meer. De band wist tenminste miljoenen harten te veroveren met hun mengeling van stevige (melodische) death metal en viking imago. Vul dat aan met één van de sterkste liveshows ooit en je hebt een succesformule. Elk album van de band laat een muzikale ontwikkeling horen en hoewel het basisidee steeds hetzelfde is is de muziek alsmaar geëvolueerd. De brute riffs gemengd met melodische leads en de monsterstem van Johan Hegg zijn soms goddelijk om naar te luisteren.

Surtur Rising, het achtste album, komt drie jaar na Twilight Of The Thundergod. Na With Oden On Our Side was Twilight... een iets minder album maar dan nog steeds geen slecht album. Met ‘Surtur Rising’ gaat de band weer door het plafond. De heerlijke catchy openingstrack War Of The Gods laat meteen weten wat voor vlees je in de kuip hebt. Een heerlijk nummer, met een pakkend refrein.
Töck’s Taunt – Loke’s Treachery Part II gaat qua snelheid een stapje terug maar de intensiteit is hetzelfde.
‘Slaves Of Fear’ heeft een lekkere groove en is een keiharde aanklacht tegen het christendom. Johan Hegg is een prima tekstschrijver en ik vind het erg gaaf dat hij die dubbele laag erin kan zetten zodat je het zowel vanuit het standpunt van een viking kan zien als van de moderne tijd. In Live Without Regrets laat Hegg horen dat hij beter kan krijsen dan een woeste noorman in een berenvel. Gaaf.
Wrath Of The Norsemen is ook een hoogtepunt, de muziek krijgt je testosteron enorm omhoog. Gitaristen Olavi Mikkonen en Johan Söderberg spelen de brute riffs alsof het niks is. Sommige riffs op het album doen denken aan Heaven Shall Burn en daar is niks mis mee.
Op het einde van het album komen twee uitersten. A Beast Am I gaat over de enorme wolf Fenrir en is één van de snelste AA songs ooit, Doom Over Dead Man is traag en slepend. In dat nummer doen er zowaar strijkers mee! Sterker nog, die zitten ook in For Victory Or Death en ik geloof ook in War Of The Gods. Het geeft in ieder geval een andere dimensie aan de muziek.
Op de gelimiteerde editie krijg je extra cover songs en ik kreeg Aerials van System Of A Down. Aparte keuze, maar het werkt gewoon.

Surtur Rising is exact geworden wat je van een Amon Amarth plaat verwacht: bruut en toch melodisch, met een tintje epiek en zwaar headbangbaar. Ik vind het een heerlijke plaat en zeker één van de beste Amon Amarth platen tot nu toe. Alle songs zijn sterk en nestelen zich prima in je hoofd (misschien op The Last Stand Of Frej na, wellicht heeft ie meer tijd nodig). Als je van de vorige Amon Amarth hield is dit gewoon een verplichte koop.

90/100

Die Apokalyptischen Reiter – Moral & Wahnsinn 

Die Apokalyptischen Reiter… Live zijn ze echt iets dat je moet zien om te geloven. Ik zeg schommels, zweepjes en meer van dat soort vaagheden. Je zou bijna vergeten dat ze nog muziek maken. En wat voor muziek dan? Ooit was het gewoon death metal. Maar toen gingen ze keyboards, akoestische gitaren en allerhande invloeden in hun muziek gooien en werdt het een allegaartje van wat je maar kon bedenken.

Moral & Wahnsinn is hun achtste album en trapt meteen lekker af. Blastbeats, tremolo picking, vette metal dus. Maar dan komt het couplet en komen de akoestische gitaren! Het zet de toon voor de trip die je te wachten staat. Die Boten, want zo heet de track is trouwens een heerlijk catchy nummer, met mooie piano in het refrein. En die riff komt gelukkig vaker terug.
De volgende track, Gib Dich Hin begint erg reggaeton-achtig. Het doet me zelfs een beetje aan Kontrust denken, met dat gefluit. Maar dan komen de blastbeats. Opmerkelijk hoe gemakkelijk elementen uit verschillende genres samen kunnen komen. En ook dit nummer heeft een lekker refrein. Frontman Fuchs gebruikt zijn schreeuwstem wat minder en laat zien dat hij erg goed kan zingen.
Dir Gehört Nichts begint met cleane gitaren en ingetogen drums, maar barst volledig open in het refrein. Zeer episch, pakkend en lekker. Uit de toetsen schallen trompettenen het smeekt gewoon om meegezongen te worden. Een hoogtepunt van dit album.
Maar echt zwakke tracks kent het zowieso niet. Ook Erwache heeft een episch klinkend refrein. Hört Auf is een terugkeer naar de death metal, moshen geblazen dus! De keyboards zijn op een uitstekende manier geïntegreerd in de stevige refreinen.
Als er dan toch een zwakke track aangewezen moet worden dan is het het korte instrumentale Heimkehr, maar zelfs dat is mooi en gevoelig, met strijkers en piano.
Wir Reiten is een rustige track, met mooie gitaren en keyboards tot het openknalt en Fuchs lekker mag schreeuwen, en Ein Liebes Lied is een ballad. Geen voor de hand liggende keuze om het album mee af te sluiten, maar ‘Die Reiter’ komen ermee weg.
De titeltrack heeft een lekker funky gitaarslagje en klinkt doomy in het refrein, met epische toetsen. De afwisseling met dat funky couplet is echt gaaf om te horen.
Nu mist er nog één hoogtepuntje. Dr. Pest, een ode aan de in SM-leer gehulde toetsenist. Het heeft een creepy sfeertje, maar klinkt de eerste helft van het nummer als een lounge/jazz nummer. Erg apart hoor. Halverwege komt de metal erbij en ontploft de song van de koren, strijkers en bombast. Dat enge deuntje blijft maar terugkomen en spookt rond in je hoofd. Je moet er toch niet aan denken dat die kerel opeens naast je bed staat…

DAR heeft een veel betere plaat gemaakt dan voorganger Licht. Die was niet slecht, maar dit album barst van de hoogtepunten, zonder geforceerd of krampachtig over te komen. Pluspuntje voor de productie want de drums staan lekker hoog in de mix en Sir. G heeft een fijne stijl. De gemiddelde lengte van de nummers ligt zo rond de drieëneneenhalve minuut.en dat is een lekkere lengte voor catchy songs. Dit is samen met Riders On The Storm één van de beste platen van ‘Die Reiter’!

94/100

Suidakra – Book of Dowth

Het Duitse Suidakra is al jaren een gevestigde waarde in de folk metal beweging. De band is in 1994 opgericht en bracht hun eerste album Lupine Essence uit in 1997. Veertien jaar en acht albums later is er Book of Dowth. Kijk vooral naar de prachtige cover van Kris Verwimp!

Het drietal onder leiding van zanger/gitarist Arkadius begint hun nieuwe werkje met het verplichte intro. Een doedelzak begroet ons en het strijdgewoel barst in alle hevigheid los. Ik weet niet of dit een conceptplaat is of niet. Hoe dan ook, met Dowth 2059 en Battle-Cairns knalt de plaat heerlijk los. Suidakra is een geweldig voorbeeld van hoe je folk en metal kan mengen zonder de metal uit het ook te verliezen. De sound ligt stevig in death metal met melodische leads en folky riffs en zang vlechten zich een weg door de muziek.
Biróg’s Oath wordt gezongen door een dame. Een echte meezinger dus. Ook op Mag Mell zingt deze dame mee, maar de lead wordt gezongen door Arkadius denk ik. Het is zo’n keltisch klinkend nummer met mooie akoestische gitaren.
Balor begint ook akoestisch maar al snel knallen de flitsende riffs door je trommelvliezen. Het nummer heeft de meest folky leads van het album en is erg pakken en lekker om op de headbangen. Vooral het cleane refrein is een hoogtepunt.
Na het meezingbare Stone Of The Seven Suns is het tijd voor Fury Fomoraigh. Een dijk van een song. Gewoon raggen met die hap, woeste Keltische furie van de bovenste plank.
Tenslotte Otherworld Collide, een rustgevend outro, vooral na de power van Fury Fomoraigh. Mooi instrumentaaltje.

Book Of Dowth is een erg gevarieerde plaat geworden waarop elk nummer anders is. Suidakra is nog altijd een beetje de underdog van folk metal. Eigenlijk zou je ze kunnen omschrijven als ‘celtic themed melodic death metal’, net als Amon Amarth, maar dan met Kelten. Ik denk dat Suidakra met Book of Dowth wel één van hun beste platen heeft gemaakt, toppertje dus.

89/100


Dropkick Murphys – Going Out In Style

‘Godverdomme Scheerder, dit is geen metal!!’ Dat is wat je nu denkt. Maar mij kan het niet schelen, ik was altijd van plan Dropkick Murphys te reviewen als er een album uitkwam, ik review toch ook Madball en Terror? En aangezien dit punk met folk invloeden is past ie wat mij betreft prima in mijn folk metal special.

Als je Dropkick Murphys niet kent moet je je heel erg schamen. De band uit Boston, Massachusetts is één van de voorlopers van de celtic punk beweging zijn ze waarschijnlijk de bekendste exploitant van deze muziekstijl. En dat de hyperactieve punk er in gaat als koek is duidelijk want de band is toe aan hun zevende album.
Op The Meanest Of Times uit 2007 liet de band een volwassener geluid horen, met een tikje mider folkinvloeden. Op Going Out In Style is de folk weer 140% aanwezig. Accordeon, fluitjes, mandolin, banjo en natuurlijk doedelzak nemen een prominente rol in. Het hoempa-achtige Hang’ em High is daar een prima voorbeeld. Op de titeltrack doen een aantal gastzangers hun intrede, waaronder Fat Mike van NOFX. Andere hoogtepunten zijn de accordeonsolo in The Hardest Mile, het weemoedige en meezingbare Cruel en het supervrolijke Climbing A Chair To Bed. Broken Hymns is een langzame, Ierse ballad met een militaire insteek in het refrein. Overigens zijn alle nummers heel herkenbaar en kan je ze lekker meezingen. Take ‘em Down is een stampend kroegnummer met banjo en akoestische gitaar. Op Peg O’ My Heart zingt Bruce Springsteen mee. Het is een cover van een oud Iers liedje en Dropkick Murphys kan als geen andere oude liedjes transformeren in heerlijke punksongs.
Afgesloten wordt er met The Irish Rover, een heerlijke punksong met weer zo’n lekker accordeonmelodietje.

Dropkick Murphys haalt geen grote verassingen uit op Going Out In Style, maar laat ook geen standaard geluid horen. Het album is een stuk opwekkender dan zijn voorganger en ik wil wedden dat het het meest folk-beïnvloedde album tot nu toe is. Het is zeker één van de lekkerste albums geworden, en deze moet je gewoon kei- en keihard draaien en meezingen. Verplichte kost voor fans van de band en Flogging Molly. En voor mensen die graag vrolijke platen draaien.

91/100

VERSLAG PAGANFEST


Voor het vierde jaar op rij trekt het Paganistische Feest door Nederland en voor de vierde keer op rij stond ik op de eerste rij. Ok, das niet waar, voor de derde keer. De eerste keer in 2008 stonden we achteraan. Paganfest krijgt veel kritiek te verduren omdat het altijd dezelfde bands zijn die optreden. Voor mij is Paganfest gewoon een manier om lekker naar bands te kijken, los te gaan met mijn vrienden en lekker te drinken en dat is dan ook goed gelukt.

Om tien minuten voor drie, vijf minuten uitgelopen, begon Kivimetsän Druidi aan hun set. De band kreeg een half uur de tijd en speelde de beste nummers uit hun twee albums. Aesis Lilim startte alles en de band wist de driekwart gevulde zaal best goed mee te krijgen. Blacksmith kreeg mij als eerste nummer van de dag aan het windmillen. De heren hadden hun gezichten versierd met strepen á la Finntroll, op de drummer na, die had zich een mooie snor en wenkbrauwen aangemeten. De set en het spel van de band waren lekker strak, maar de buik van zangeres Leeni-Maria was dat niet. Het...ehm...leidde nogal af. Gelukkig kan ze uitstekend zingen en was ze prima bij stem. Ook respect voor de als fee verkleede roadie.

Het jonge Arafel was de tweede band van de middag. De groep is nog altijd een onbekende band, maar met de toetreding van zanger Helge Stang (Equilibrium) en het prima album For Battles Once Fought zal de groep uit Israël vast wat nieuwe zieltjes winnen. Vooral Im Feld en afsluiter 1380 – The Confrontation waren lekker strijdliederen. Jammer dat de helft van de kerels vooral op de violiste lette en pas ging roepen als zij in de buurt stond. Hormonale pubers.

De invasie ging verder met onze eigen Heidevolk. De bende uit Arnhem wist als eerste groep de hele zaal los te krijgen. Het was duidelijk voor wie een deel van de mensen kwam. Maar geef die mensen een ongelijk, want de band zette een knalharde set neer. Natuurlijk werd er geopend met Nehalennia waarna Saksenland werd ingezet. Het blijft een speciaal gevoel, samen met een hele zaal meezingen. Wodan Heerscht kreeg de moshpits goed aan de gang en Ostara creërde een klein rustpuntje. Beest Bij Nacht schopte iedereen daarna weer onder de kont en met Vulgaris Magistralis kwam er een eind aan een uitstekende set van Nederland’s eigen heidenen.

Varg is al een paar jaar aan het opklimmen naar de top van de pagan scene. De Duitse groep is tevens een geweldig voorbeeld van hoe je succes kan krijgen met een clichématige en ongeinspireerde stijl. Maar gelukkig klinkt deze stijl prima en live is het ook een feest. Door omstandigheden (lees: chillen met vrienden) miste ik de eerste twee of drie nummers. Maar ik was op tijd voor Wolfszeit en mijn persoonlijke favoriet Blutaar. Wat een woeste wall of death zeg! Tijdens Viel Feind Viel Ehr kwamen de heren van Arafel het podium op met bezems om een lekker luchtgitaar te komen spelen. De band speelde de bonus track Rotkäppchen en tijdens het nummer kwam Anna Murphy van Eluveitie in een verleidelijk rood pakje het podium op om mee te spelen. De band sloot af met Wolfskult en ik denk dat de groep met dat nummer hun vaste opener heeft gevonden.

Moonsorrow volgde met een monsterlijke set. De lichtshow verdiend een complimentje, deze was heel sfeervol. De band speelde twee nummers van het nieuwe album Varjoina Kuljemme Kuolleiden Maassa: Muinaiset en Kuolleiden Maa. De laatste sloot de set af en ik ging na vijf minuten weg omdat ik even behoefte had aan frisse lucht en gezelschap. Maar daartussenin kregen we nog twee uitstekende nummers in de vorm van Kivenkantaja en Sankaritarina. De band speelde strak en werd prima onthaald. Zo mogen ze nog wel een keer komen.
Tijdens Unleashed gingen we eten. Bij de KFC zoals echte vikingen doen.

Eluveitie was co-headliner en kreeg een uur speeltijd. Een uur dat ze volspeelden met hun aanstekelijke hybride tussen folk en melodic death metal. Otherworld, Nil en Bloodstained Ground trapten lekker af en Thousandfold werd lekker meegezongen door de wild op en neer springende zaal. Natuurlijk was Inis Mona ook een publiekslieveling en ook wij gingen helemaal los. (Do)Minion en Kingdom Come Undone maakten de moshpits weer lekker los en iedereen ging er lekker tegenaan. Met het onvermijdelijke Tegernako sloot de band weer prima af. Maar niet alles was perfect. Zanger Chrigel Glanzmann was duidelijk niet goed bij stem, hij zong hees en zijn microfoon stond erg zacht. Van een vriend die wat vooraan stond hoorde ik dat het geluid daar niet al te best was, maar ik merkte er niet zo veel van waar wij stonden.

Ik denk dat de mensen Korpiklaani een beetje zat worden. De zaal liep behoorlijk leeg na Eluveitie. Maar toch was hij nog ruim gevuld toen de band het podium opstapte en Päät Pois Tai Hirteen inzette. Op plaat een lekker nummer, als concertopener niet echt. Dit nummer past beter in het midden van de set. De band stond heel verveeld hun ding te doen en ook opperhoofd Jonne Järvelä was niet zo energiek als normaal. Zelfs Cottages and Sauna’s en Tuoppi Oltta konden daar niks aan veranderen terwijl het publiek wel los ging. De band speelde meer langzamere nummers als Ukon Wacka en Mettänpeiton Valtiaalle. Die werden dan wel afgewisseld met snelle nummers als Tequila en Journey Man maar het haalde de vaart uit de set. Vanaf Vaarinpolkka en Wooden Pints werden de heren wat energieker en met het drieluik Vodka, Iron Fist en Beer Beer werd het concert afgesloten. Ja, je leest het goed. Géén Happy Little Boozer. GEEN HAPPY LITTLE BOOZER!!! GEEN! HAPPY! LITTLE! BOOZER! Schande. De band ging na Beer Beer uitgebreid afscheid nemen van de mannen van Moonsorrow, Unleashed en het publiek en iedereen verwachtte een toegift in de vorm van Happy Little Boozer. Maar dat kwam dus niet. Toch een smet op een best goed optreden.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen